4°3
schept scheemrig licht, dat gretig nog ingeslurpt werd door de omgebouwde sloppuitjes en de hellende kozijnen der vale steegruiten.
Het oude kerkgebouw leek in de droeve omscheeimring opgerezen als een verborgen oord van angstige misdadigheid, waar stil-aan het doode licht over uitgezonken was.
Allerlei straatzwervers en schooiers zochten er een nachthol en doorkruisten de stikdonkere ruimte, soms nog met den verschen buit in den zak en snakkend naar adem, na een vluchtvervolging van de gevloekte dofgajes of de loerende poedels. In ״De Turksche Wacht" namen al de invluchtenden en roovenden dadelijk het melaatsche grauw van het kerkgebouw aan. Alles verzonk er in de duistere diepte der ineênloopende krotjes, als zwarte wormen onder aardklonten. In de binnenste kerkdiepte, tusschen den overloop, bleven de menschenstemmen zonderling schommelend en galmend hangen op een ongevulde ruimte, die soms den bewoners en gelokte slachtoffers in één geweldigen schrik gelijkelijk opjoegen. Uitgeworpene of wanhopige zwervers, die de krotten bevolkt vonden, werkten zich vaak door vermolmde plinten en langs balkbrokken heen, naar de kerkkelders, waar walgelijk moerassig grondwater borrelde en de ratten een grauwe orgie vierden in den vochtigen nacht.
Boven, op de hoogste gaanderij met zijn ommegang van schemerhokjes, wou niemand der bijgeloovige misdadigers huizen. Daar doolde het afgedwaalde en vier-vuldig onderschepte licht als in een zwakke klaarheid van dagleven en door de geheel gordijnlooze, van stof-vuil ingevreten raamgaten konden soms, bij heldere maan over de stad, heel bleeke en ontstellende schijnsels en schaduwen ingeworpen worden tusschen het grillige licht.
Maar beneden waren ze allen thuis op-den-tast. Daar was het op den zonnigen dag even duister als 's avonds. Daar klonk plots tegen een onzichtbare muurholte,
Dofgajes: politie. — Poedels: rechercheurs.
»6*