4oa
bouw zélf, het dievennest in zijn geheimzinnige somberte, beklemd tusschen twee stikdonkere, bijna geheel onbewoonde sloppen, op zichzelve weer een dwarsgang vormende naar andere spleten en kronkelende inhammen.
״De Turksche Wacht" was een geheel ingebouwde en verweerde oude kerk, uit de zestiende eeuw, vermolmd overblijfsel van een luguber puriteinsch bidhuis, melaatsch gegrauwd in zijn afgebrokkelde muren, scheefgezakte stutbalken en geroeste raamtralies. Van de slopmondingen en steegspleten uit leek de kerkruïne niet te zien. Maar dieper naar binnen dringende, steeg plots een vaal en zwart-getand gevaarte óp van donkere, gehavende wanden en bemoste daksnijdingen. Romp en beneden-bouw verzonken in een vreeselijk sloppengrauw. De vroegere hoofdingang en de kerkramen waren met vermolmd bruin beschot half dichtgetimmerd en overal schimmelden monsterlijke, vochtvlekkige teekeningen waar éven slechts lamplicht aanwalmde op brokjes verborgen muur, uit het duisterdiep van bewoonde krotjes. Aan weerskanten van het uitgebrokkelde en vergane kerkgebouw, waren, langs de oude en ontkleurde gaanderijen, kamertjes getimmerd van los-planken-vloeren, met uitsparing van een middenloop, die bibberend over de ge-heele holle en galmende kerkruimte liep. Door al de hokken groezelde een sombere duisternis en de drie-hoog opgebouwde verdiepingen van hout beschot, waggelden als noodbruggen, ingekneld tusschen het oude, klagelijke steen der kerk, de gewonde balken, gescheurde en gebarsten raamkozijnen, de roestgroeven en de luikvensters der bovenste gaanderijen.
Een vreemde, opgesloten stilte trilde en huiverde onder de plankvloeren en de zwiepende, afgeschutte middenloop der donkere krotten, en een grillige echo kaatste en weergalmde de menschenstemmen gebroken en halftonig terug langs de gehavende muren, voorbij de uitgebroken vensters.
Alléén de bovenste verdieping-krotjes vingen een onder