37
Manus opende zijn linkeroog van verbazing en slikte den rook van zijn sigaar in.
— Bi je smoor op Jet?
De gasten lachten allen na dezen zotten uitval van Jaap. Zelfs Hannes krulde zijn lip. Te denken... dat uitgemergelde mormel... samen een lollig kwartiertje met de Kriek, nee, dat was doodskomiek!
— Komt Jet niet? ... vroeg Jaap.
— Op reis.
— Op reis?... Se moste d'r in heete asijn doope!
— Mijn patronès,... spotte Manus.
— Saag d'r in ses!... lachte Jaap.
— Erger je nie, paardeblom,... kalmeerde de Bochel.
— Trek d'r een triktrak over d'r grassemonies!... hield Jaap vol.
— Set d'r een kraak, Bad-Aap!... donderde in een stuiplach Simbad.
— Sij laat joü baffiane,... viel Jaap weer bij... Ik sou...
— Nou reepsgast... onderbrak Simbad... je klepper toe. Spéle!
Een nijdig gebonk van vuisten op de tafel klonk dof in de korte stilte. Jaap won weer. Zijn praatjes woeien óp. Hij lachte, gekscheerde en schold de wereld scheef.
Simbad had onder het opgewonden gedaas van Jaap, telkens diens open en volgepropte beurs omzichtiger-zachtjes naar zich toegetrokken. Bij iéder rondje bijna, won Jaap.
— Soo'n pesoentje as gewese keloniaal en je groeit vet,... lachte hij.
De blijdschap gutste hem van zijn gullen kop. Hij vulde zijn glaasje telkens sneller, dampte zwaarder en zijn dronken woorden rolden van louter luchtig plezier over elkander heen. Terwijl hij babbelde, achter zich draaide en
Grassemonies: mombakkes. — Set d'r een kraak: inbraak doen. — Baffiane: zwaar werken.