338
smid op de vuist, maar nou begreep hij kras noch kris van zijn makker.
— Heb die Naatje Broodhol,... verduidelijkte Karei,... die Kokerneut,... dat schoenmakersklopsteentje, d'r s'n naam bijgetimmerd?
— Nei,... klonk het dralend in een vaag besef.
— Nou dan!... beet Karei knorrig af.
— Maar... maar,... stotterde Gijs.
— Wè maar?... ouwe trip, bitterneus dè je hiet!
— Ikke?
— Ga deur!... blauwkop,... lachte weer Karei,... en la je vrou nie in de drek sitte.
Schorre Gijs knarste plots in dolle woede de kaken op elkaar, greep Karei opnieuw in de borst en vroeg wild:
— Was jij 't?
— Ikke?... stootte Karei er gekrenkt uit, terwijl hij zich met één armzwaai uit Gijs' knuisten losrukte.
— Jij nié wel? ... beefde Gijs. ־ — Neem nou gauw de kuite!
— Jij nie,... bleef Gijs dreinen.
— Wou je op mijn je binnebrandje blussche? ... Ik mep je alléén aje wakker bint!
Schorre Gijs praaide bij, klopte Karei op den schouder. Die kerel gaf je temee schoenen en voeten; die kon je niks ontstrijden. Een glunder lachje vroolijkte zijn gezicht op. Zijn linkerhand diepte traag een broekzak in, toen hij met bedeesde stem vroeg of Karei hem een gulden kon wisselen.
— Seker,... zei argeloos Burk en hij legde Gijs op de uitgestoken rechterhand vier kwartjes neer, die deze snel wegstopte.
Gijs bleef dralend grabbelen in zijn broekzak, terwijl zijn kleine, sluwe oogjes Karei half schalks en bang begluurden.
— Nou? ... viel die ongeduldig uit.
—i Wat nou? ... teemde Gijs.
"s Trip: kwast.