3»7
bitterden bezoeker, zijn ouden visschersvriend Schorre Gijs.
— Wa mö jij, lampepit?... lachte Karei om het boos-dronken en verwrongen gezicht van Schorre Gijs.
— Ikke bin peperheet... fan gif!... stootte Gijs eruit. En hij vertelde Karei dat hij vanochtend, bij zijn kar, in de zon op de stille Nieuwmarkt wachtend op zijn wijf, eventjes leek ingedommeld. Plots voelde hij zich wakker-geklapt door een hand, strak als een pollepel,... wreef hij zich een brandende pijn van de heete wang. Maar toen hij uit zijn slaapsufferigheid had rondgekeken, zag hij geen neusstip van een vent. Dat was, beweerde Schorre Gijs onder knallende vloeken, hem nog nooit in zijn leven gebeurd.
— Sie je Karei, 'n klap ... 'n seen ... die ikke nie terug heb gegefe!
Wraakzuchtig huilde zijn stem. Toen vertelde Gijs dat hij dadelijk naar huis stappende, zijn oudste plunje had aangetrokken, om den vent te vinden en op de vuist te nemen, den kerel die hem een houw kwam te bedeelen!
— Je had 'm half sitte!... brulde Karei.
Nou was hij al van den vroegen morgen tot den avond kroeg-in, kroeg-uit gezwalkt en nóg had Schorre Gijs den slag-uitdeeler niet in de keel geknepen. lederen pootigen kerel greep hij in de borst, vroeg hij:
— Hè'k fan jou die drijfer?
Maar ze duwden hem allen op zij, ontkenden en lachten.
Dat hield hij niet uit!... werd hij gek van! Nou was hij gedoemd den nacht door te zoeken, tot hij eindelijk den kerel ópgesleurd had die hem waagde te klappen in den slaap.
Karei schaterde om het komieke geval en den blinden zoek van Schorre Gijs.
— Die bal gehak fin je nooit-nie!
— Nooit-nie?... gaapte Schorre Gijs in onthutste verbazing.
—■ Wiedes hè!... lachte Mooie Karei.
Schorre Gijs vond Karei een doorgewinterden wapen
25*