386
— En... aje dans ... lééf je.
— Juist.
En hij waggelde, een zeldzaam glunder-eigenwijs lachje op zijn rooden kop vasthoudend, weer zachtjes een paar stappen verder, het biertje in de hand gekneld en morsend over al zijn kleeren. Weer bekeek hij de rol, de toeters, de bekkens, het agiorno-belichte zee'tje, en wezenloos stond hij te zwelgen in het trompet- en fluitgeluid en •onder het gedonder der roffels en pauken.
Plots zwenkte hij om, terwijl hij tegelijkertijd ópge-duwd en naar achter gestooten werd en lachend riep hij naar David, den kastelein, en zijn helpers, dat hij nu al het zesde kwartje in de zingende mondgleuf van het pierement had gestopt; dat hij, goed nagerekend, nou al zijn biertjes vrij had, ja,... nog béstiger nagerekend, nog twee ״effetief" toé moest hebben.
En weer een stuivertje in de opening peuterend, gierde hij:
— Da gaan d'r wéér 'n maffie!... krijg ik wéér twee schubbetjes fan de baas!
Al de gasten lachten om den dronken guit, die beweerde dat hij, inplaats van stuivertjes, telkens kwartjes in het pierement gooide. En tegen ieder die inkwam, en in zijn omgeving aandobberde, vertelde hij dat hij thuis een vrouwtje had zitten zóó klein, dat ze twee keer moest „inschermaaje", wou hij haar éénmaal vast zien.
Plots brak hij af, sloeg zich voor zijn rooden kop en schreeuwde lachend:
— Nou hei je al 'n piek mesiek ferspeeld, adder!
Corry en haar vriendinnen gooiden den zwammerd stilletjes een hand zwarte aarde uit een bloempot over zijn hoofd en vielen tegelijk met hartstochtelijke stemmen in:
Ca-ro ... lientje ... Ca-ro ... lientje, Is sefe dagen fan de week Heelemaal fan streek!
Bij den ingang van de zangkroeg werd Mooie Karei onverhoed in de borst gegrepen door een zonderling-ver