385
— Soo,... grinnikte de geschokte en zijn oogen zwijmden van dronkemans-droefheid.
— Aje teekent,... dreigde Karei met stemverheffing, als een tooneelspeler,... schenke we je 't leife!... Aje ... nié teekent... ga je mortjes!
— Wa poekel je plakplaat? ... lachte de koloniaal met zijn zwijmende oogen,... ikke staan al op 't plankier!... en in zenuw-dronken ontroerings-drift perste hij zóó hevig Karel's hand inéén, dat deze hem onder een pijn-kreet van zich afstootte. Een andere dronken oolijkert, het hoofd vetrood, stond met zijn biertje in de hand, vlak voor het pierement, over de draaiende muziekrol heengebogen. Zoodra het nummer was afgeloopen drong hij een stuiverstukje door de gleuf en wachtte met verkneuterend kinder-plezier op de grove vuist van David, die dadelijk een pennetje induwde, met een dof geratel en een knap de rol mechanisch wegschoof. De dronken oolijkert waggelde zacht bij het bukken, maar werd door de opproppende menschen in evenwicht gehouden. Hij bleef met waterige glimoogjes gebluft lachen tegen de zélf-bewegende schelletjes. Zooiets fijn-merakels had hij nooit-niet gezien! Nou was hij zélf stratenmaker, maar als zoó de keitjes onder zijn bikkende handen op-en-neer gingen, liet hij vast zijn eigen een paar spijkers door zijn schoenen slaan,... gong hij niet meer weg.
— Da's vast!... grinnikte hij.
Zijn zesde stuiver peuterde de kerel weer met beverige vingers in de gleuf.
— La jij 'n aar geniete fan joü sente?... vroeg een matroos.
— Deert nie,... mesiek is leefe,... zei de oolijkert goeiig en in zachte waggeling, alsof hij op een deinend schip stond.
— Soo, juist!
—■ En... en ... leefe is singe en danse.
— Juist.
—■ En ... en ... aje leef ... dans je!
— Net soo.
5־
Van Nes en Zeedijk