3»4
peinzen. De boef, hij leefde van het kwartjesvinders-geld; hij vreest niets en niemand. Een ieder bijt hij in den nek ...
Ik speel steeds onder 't fiëduk,
Beproef daar mijn geluk
Met eén, twee, drié de klaferaas!...
De boef is altijd tevreê, altijd blij... Er bestaat geen linker pernose dan de heitjestippelarij!
De gasten gierden om Karel's koddige en slim-vlugge bewegingen, van een telkens verrassende oolijkheid. Toen hij vertelde dat hij afgedwaalde heertjes op straat het liefst aanklampt, ״se kokkement maakt en daalijk in hun snij sit" ... mit
Eén, twee, drié de klaferaas I
Geen linker pernose...
Dan de heitjestippelarij!...
brulden de kerels om Mooie Karel's kostelijk spotgezicht en de russische danstrippeling die hij erbij improviseerde. Zijn levensgulzige oogen vlamden van den jool en de bezoekers klapten opgewonden bij ieder refrein.
De Paljasso-, Roode Kielen-, Zieke Jongelingen- en Grafgewelven-voordragers voelden zich driest geslagen en de pretjagers gewroken op het gejammer der bedroefde zatlappen. Het groot electrisch pierement roffelde weer met geweldig pauken-gedruisch een Traviata-ouverture door het heete praat-geraas heen en de meezingende kroeggasten zwommen opnieuw in de ״meeledie". Een vadsige zwabber, pas voor koloniaal gemonsterd, omklemde Karel's hand met een huilerige ontroering, alsof hij al afscheid naar den Oost nam.
— Jij, Merinie Marrinellie,... schertste Karei,... jij bin gewaarschouwd!
Kokkement: praatje. — Snij: zak. — Heitjestippelarij: kwartjes-vinderij.