382
Een dikhoofdige pummel zong eigenwijs er doorheen, dat...
Haar blauwfe ooge ... mijn hebbe bedroge!
Tusschen het zware meegalmende gedeun en gelijs der stemmen, boorde plots een schelle, levendige jongenszang van:
Een arremie drommeélio ...
Die haas gong trouwioó----
Mit soo'n leelijk meisia ..
Schrikko fan de buurtid ...
Mit ooge leépioo!
Haaró rood as furioo!
Bulderend gelach en gesnauw brak rond hem uit. Een zwaar onder-de-pannen-ademende treursok galmde met een hevige bas:
Soo sprak 'n jongelingg die treu-eürend sat, Terwijl hei in de stilte se tri-aane iergat, De Lieff-de is heine gefló-oóde!
Het krenkte den leutzin van David Kroes, dat er zoo wee gebalkt werd, na het mooie gezang van Karei. Nu kon hij zich niet langer achter het gordijn schuilhouden. Wild klom hij op de klapbank, onderduikende de naar alle kanten bier en drank aanreikende handen van zijn vrouw, zusters en andere familieleden-helpsters, die op Zondagavond kasteleintje speelden.
Met zware stem begon David te beweren, dat het nou eens uit moest wezen met die eeuwig weer gelijmde Helena uit het grafgewelf, omdat het schaap al drie maanden achtereen een kuier in de bajes deed met Blonde Leendert, den doortrapten boef van het Kolkje. Verder moest hij met aansprekers-leed mededeelen, dat ״Bij het Kerkpertaal" vanaf heden gesloten bleef, wegens onzedelijke handelingen van de Domkerk met het orgel... En dat ook niks meer was: ״Een stap naar 't Graf", maar nu