3»!
aandreef, haar volgde of vóórging. Karei moest, moést herhalen; de opgewonden gasten lieten hem niet los. Hij zelf bleef alles alléén naar Corry toezingen, en terwijl hij haar onder de koppenmassa in het schemerige licht achter de klapbank niet goed kon zien, wist hij toch ongeveer waar ze stond. Hij voelde dat ze net zoo bleek, zenuwachtig en ontroerd tusschen de meiden en jongens luisterde, als hij onder hen zong, en dat maakte hem trots en gelukkig. En Corry zei tot Blonde Kee en Witte Na, dat alléén Karei zooveel ״meeledie" in de stem had.
— Goskrimmenijtjel... die la je ja in mekaar krimpe!
Maar het Zondagsche zomeravond-leven der kroegen beviel Corry niet meer. Zij had het in de Nes zooveel mooier en voornamer gezien. En tóch, ook nü weer werd ze aangegrepen door de hevigheid waarmee in de broeische warmte de menschen hier het roerige plezier onder malkander zochten. Een groot, electrisch orgel met mechanisch-verspringend zeeschilderij, agiorno-goud-achtig beglansd, waarop een aanlichtende en weer uit-donkerende vuurtoren, met zwalpende scheepjes die op voortrollende golven dooréén kropen als glimtorren, rumoerde onder slagwerk en daverende pauken een helsche geluidskolk door de verlichte ruimte. Oudjes, bij een biertje, in de stijf-Zondagsche plunje, begonnen komiekerig te dansen op het maatgezang van den orgelroffel; oude wijven herleefden in de oogen en kankaneer-den tegen de ópvroolijkende mannen. Er werd luid gezongen, gelachen en stoeisch de snater geroerd. Telkens als het groote, electrische pierement zweeg, drong éen uit de massa naar voren, fluisterde iets met den pianist over het begeleidings-werk en begon, zonder inleiding van David, uit angst voor hekeling en spot, de voordracht. Van allen kant galmde en lijsde... Paljasso!... Fan de Blauwe Kiel... De sieke Jongeling! Een Kattenburger zette met krijschmond in:
Ferwèl Merie,... ik mö je nouw ferla ... te!