383
en rechtstreeks zijn ziel gericht naar Corry. Meneer-met-de-dame keken gebluft. Er was zoo schoone en hartstochtelijke jubel in zijn stem en zoo gesluierde droefheid, dat zijn zang de luisteraars tranen in de oogen perste.
Toen vroeg Karei, na het onstuimige handgeklap te hebben laten uitrazen, of de mamsel met de guitaar het ״Afscheid fan de Seeman" kende. Het meisje knikte en de meneer-met-den-hoed keek een beetje bedremmeld, nu hij zoo raar met zijn viool in een hoek gedrongen werd.
Karei begon en zette zacht met halve kopstem in:
Niet steeds is de liefde folkóme fan duur,
Hoe ras sij 't hart eens dee jage.
Sij dooft soms frij dikkels ontijdig haar fuur,
Hoe hel eens de fonk heit geslage.
Dan knoopt sij haar bloeme weer los fan 't paar,
Dan wort in 't tille, de kete soo swaar...
En moeilijk die langerst te drage.
Karei zong meesleepend-hartstochtelijk en raakte zélf heelemaal teloor in zijn lied. Alle bravoure en het dik-opgelegde van het rhetorisch gerijmel, roerde hij niet. Hij zong, onbewust, in den krachtigen eenvoud van zijn diep gevoel, glaszuiver en zonder wansmakelijke weeke-lijkheid. Hij was op geen lonk, geen lach, geen handgeklap van de bezoekers bedacht. Hij doorleefde zeer eenzaam nu, tusschen de saamgepropte luisteraars, het leed van zijn eigen liefde, in zijn vreeselijke verwarringen. De rumoerige kroeg leek tot een geruischlooze kluis ómgetooverd. Zijn schuwe gemoedsaard tegenover Corry persoónlijk, werd nü opengebroken in een vurige zang-bekentenis.
Karei had een overdaverenden bijval en het nette juffertje van de guitaar bekeek Burk met ontstelling in de verbaasdheid. Dat was een knappe jongen, vond ze. Zoó mooi had ze hier in de buurt nog nooit hooren zingen. En zoo zeker en fijn-zuiver als hij op de begeleiding