378
— Die soekt se esel... en hij sit d'r op!... dan, onverstoorbaar spotte David door, onthulde lage streken van zaakwaarnemers, souteneurs, marktzwen-delaars en zette de heele buurt van trapjes, stoepjes, slop en kuil in het hemd. Dat deed óók Mooie Karei. Met gelaats-mimiek en spraak imiteerde hij bekende boeven en typen naar het leven en de gasten wisten precies, met de oogen dicht, of stotterende Bram Zomerplaag met zijn spetterende lampjes opgevoerd werd, het portiertje van de sombere speelkroeg in de Oudezijds Armsteeg, of Anne uit de Paardenstraat. Bovendien had Karei een prachtige zangstem, speelde hij zélf de harmonica als geen ander. David Kroes' mom was onschoon, grof en van een wilde behaardheid. Karei was mooi, lenig en zwierig.
Rond Karei stoetten de verhalen bijéén van zijn losbandige avonturen met vrouwen van alderlei slag, en zijn koene vechtkunst werd stof voor gesprekken van alle aankomende Jordaners. Hij, de Jordaan-Don Juan, bracht de verleiding in zijn verschijnen, spreken, spotten en handelen mee. David Kroes moest de sympathie ieder keer weer op zijn hoorders veroveren, door zijn bijtende taal en durvenden schimp.
Op een Zondagavond bij Kroes, kwam Karei bijna gelijk met Corry in. Ze had haar trouwe Jordaansche vriendinnen, Blonde Kee, Witte Na en Ant uit de Hoek-steenen, bij zich.
De menschen stonden in de zomerwarmte en walmende stof van den Zeedijk, op elkaar gepropt. De gezichten glommen van zweet. Karei werkte zich traag-rustig door de gonzende kroegmassa heen. Er beefde iets in hem van geluk dat Corry er stond. Nu zou hij weer eens kunnen uitpakken, zingen en spelen met lust en behagen. Zijn vlok haar onder de pet had hij dadelijk verborgen weggewerkt met zijn krabbelende vingers. Daar hield Corry niet meer van; te oudmodisch-Jordaansch.
Vóór hem, drong een meneer-met-een-dame, door de menschen heen. Hij hield een vioolkist boven zijn hoofd