35
— Mijn kankere? ... barstte Jaap nu zeer gekrenkt los.
Toen begon Knakworst nog eens ״plechtig" te verklaren, dat de heele fladder-familie van Hannes met Na-de-Kale incluis, niet zoo slim was als het vlooie-jeukertje van zijn kleine eenjarige meid,... dat die meer wijsheid lurkte uit haar duim dan ... dan ... Hannes uit de grootste flik.
— Jij leelijke regenfluiter, mot jij mijn beleedige?... Maar hij lachte dadelijk weer en schold er grappig doorheen ...
— Seg Bad-Aap, guur dravertje, wat?... heb hij nou sjoege?... En Jaap spotte:
— Infermasie-ketoor!... God vischt me uit 't bout-kitje!... Meheèr Janse... is de soón van meheèr Janse ... en de dochter van mefroü Janse ... En ... en... hahaha!... enne... sedert jare... op de Seedijk ge-festigd... Soó goed, meheer de Infermasie? ... Haha ... Betaalt se huur heel ongeregeld... en as borg... as borg...
Jaap gilde van den lach, met Simbad die meespotte.
— As borg ... se branderige dochter!...
Hannes sloeg de vuist op tafel.
— Spéle of niet?
Hij dreigde met weggaan. Dan viel de middag.
— O hé ... wetjessmuiger!... Kan je nie tege dolle? ... We beginne!
Simbad had de situatie gered. Jaap lodderde nog wat na, tevreden dat Manus de jongens eindelijk wat te „lurken" gaf. Nou geen gezwam meer en spelen, zei hij tot zichzelf. Na ieder rondje knetterde strijdgerucht los over het spel.
— Jij kruipt as 'n schutsluis,... is dat nou geve?
— Hinkende verschoppeling!
— Melat!
flik: krant. — Sjoege: begrip. — Boutkitje: stilletje. - -3*