34
Sij, die sich an land befinde, Werke voor hun dagelijksch brood, Nooit gescheide van d'r frinde ... Nimmer sijn geweest in nood.
Manus stond rap op, ontrukte Jaap de pleureuse, die er den praktizijn mee in de ooren poogde te kittelen.
— Jij, koffiepot,... lachte Jaap gul naar Simbad,... mit je zee... en mit je kolkie!... Jij smakkert,... jij bint t'r ijser... ballast... schot en tonne ... bij mekaar!
— Toen bleef de wacht alleen an dek!... donderde Simbad met zijn bas voort.
— Spéle maats,... drong strak Hannes aan.
Maar Jaap hield er liever de lenige leut in.
— Haal óp de nette!... gierde Simbad,... er sitte haaie in 't want!
— Wat he'k 'n pijn in me hakke!... schaterde Jaap,... en jij, Bochel,... jij hep 'n gesond voorkomme.
— Mot ie je nou s'n been in je nek legge?... ironiseerde Simbad, weer graaiend in de spullen van Jet.
— Seg Bad-Aap... saag jij es je kast van je ribbe!
— Je duite steke je!
" — Nou Bochel, immese groenzoeter... dat zég je goed.
— ־Lakt maar soo,... gromde Manus.
Jaap rolde van den lach en Hannes trok hij mee in zijn daverend dronken vergenoegen.
— Al... al... seve jaar speel ik hè? ... viel Jaap weer uit,... en nooit nie 'n kink gewonne!
— Sluit je klepper, katser!... bromde Hannes.
— En femiddag mot en sal ik winne...
— Jij?... beet Simbad minachtend door.
— Wat kè jij d'r van? ... verweet Hannes hem nijdig... stom merakel!
— Geen erg geve, Jaap,... hij kankert je ... hitste Simbad.
Groenzoeter: flemert.