376
Scheldend en schimpend, onder vloek-en-woedetranen, overhandigde Dien het pandbriefje.
Karei zuchtte van blijdschap dat hij het eindelijk uit haar hebzuchtige, klamme handen had losgemorreld. Mal vond hij zooiets van zichzelf,... en toch... kon hij van het heele gevalletje niet slapen. Het was toch ״gaar" geen diefstal. Zoo een tippelaar op klompen leek hij het • buurtvolk toch óók niet toe. Maar hij zou een treitertje ' worden als hij zijn eigen ongerustheid begreep. Hij had het zelf als een grapje bedoeld, om zich voor drie dagen uit de verlegenheid te redden. En toch, zoo een diep-ellendig gevoel het werd! ... als je zoo voor het eerst, van een ander je doodgemoedereerd iets toeeigende. Hij brandde van verlangen het briefje te kunnen lossen.
Eindelijk leek het dan overmeesterd. Dadelijk ging hij het goed halen en Dien viel bijna in zwijm toen 's avonds, Karei haar luxe-waar uit de gesloten kist, met een zwaren vloek voor haar verbijsterde wezen neersmakte.
— Geen splintertje mankeering... je ongeluks-schoure;... had drie dage frij legie bij Oome Jan. Eerst later vertelde Karei Piet hoe het gegaan was en déze hem, dat Dien er geen zier van gemerkt had.
II.
Karei bleef in een soort van vroolijke opgewondenheid, al ontmoette hij Corry minder. Hij had weer lust in zang en spel. 's Zondags vooral, met de vrienden gingen ze de café'tjes over het Y in en uit, zongen en dansten, terwijl anderen, niet zoo sterk in het „gorgeltje" of „op den toon", voordroegen of versjes improviseerden. Dat was een onuitroeibare hartstocht der Jordaansche jongens: voordragen of zingen in stampvolle kroegjes, waar de gasten op eikaars adem stootten." Ze zwoegden zwaarder dan op een door-de-weekschen dag, maar nu
Treitertje: krentenmikje. — Schoure: goed, waar.