375
baviaansche moesten ze naar ״Welkom" sturen op den Zeedijk,... kon ze een paar uurtjes psalmen meedreunen, in kalmeerende vromigheid. Piet hapte in een boterhammetje en dadelijk sprong Dien kijvend op:
— Sit je weer te krummele, viese asem!... Die manne kanne nie eens fesoenelijk ete!
Jachtig rukte ze hem den broodhomp uit de hand, stompte den man op zij en begon, al scheldende en, kijvende, met stoffer en blikje haar karpet schoon te vegen.
Piet zat beduusd op een stoel te kijken naar zijn afgebeten broodhomp, dien zijn vrouw in haar klammen zenuwknuist hield vastgekneld. Eindelijk klaar met stoffen, kreeg hij zijn brok korst terug.
— Sit nie soo mal te rijje op je stoel,... duwde ze hem dadelijk weer toe.
Piet vloekte van getergdheid.
— Trappel nie op me kleedje!... verbood ze rad, zijn vloeken negeerend.
• Het kookte in Karei. Een creatuur om af te nokken. Nou had hij nóg het briefje niet.
Plots stond hij onbewust dreigend in zijn volle lengte voor schrale, nerveuze Dien. Ze schrok hevig. Voor zoo een vechtersbaas werd ze toch bang. Ze wou weer met een spin-giftigen draai uitschieten naar Piet, dat hij niet met zijn zaknijf moest snijden,... dat ze als de dood was voor messen, en vinnig kraakte haar stem:
— Hang nie zoo mi je elleboge op tafel!... je kreukt me loopertje, ellendelingl
Maar Karei donderde ertusschen dat het nou lang genoeg had geduurd. Tóch... een daalder moest ze er op verdienen.
— Geen halve spie!... en nou... voor de dag ermee!.. schreeuwde Karei, die het gekdwarse wijf wel kon platdrukken.
Af te nokken: weg te sturen.