374
noemde,— een kwartje, en lachend riep hij den verbaasden kerel toe:
— 'n Fooi!... fan Jonker Weltefrede ... besjour! In de puntjes gekleed liep hij Zaterdagmiddag bij Dien op en met onstuimige drift in zijn stem vroeg hij haar het lommerdbriefje terug onder een snaakschen omslag.
Dien vertelde eerst dat Piet woedend geweest was.
Hij had gezegd:
— Nou komp Karei om mit me te hengele,... en nou doet ie as of ie drie maande mot ópknappe,... weges verset teuge de peliesie!
Karei lachte, maar bleef aandringen op het terug-koopen van het lommerdbriefje. Hij loog wat ronds voor de vuist weg;... het heette ״gaar" van hém niet;... zij had er toch niks aan... Het was voor de zottebollerij bedoeld.
Dien werd woedend. Zoo een haas-lik-me-de-poot-spel had ze van Karei allerminst verwacht. Zij had immers eerlijk het vodje gekocht; niet eens nagerekend of het echt of al verloopen zou zijn. Zij had toch alle risico op zich ge- nomen, zonder bedenken? Zoo een kale mozemeyer! Moest dat nou mannenwerk hieten? Och och, wat een opschepperij van dien Mooie Karei.
Dien wond zich schrikkelijk op. Onder het spreek-schelden naar Burk werd haar hoofd vuurrood en gezwollen. Ze wou weer met gillerig gekijf haar zin doordrijven als bij Piet, haar man.
— Kijk... kijk, stommeling!... Jij, as me keerel... jullie binne nog te beroerd om mit 'n vrouw óm te gaan!
Piet kwam in, zocht in de linnenkast een werkboekje.
Als dol rende ze op hem aan, gilde en stompte:
— Wè soék jij?... wa mot je?... doe je klèp dan ope!
— Ik mot me boekie fan de Bond!... schreeuwde Piet terug.
— Hier keerel... ga weg!... la mijn soeke!... smak jij me de boel nie deur mekaart
Piet keek naar Karei, die er zelf verstomd bij stond. s Zoo een tang, zoo een caronje van een mager serpent en ■tuk gif van een wijf, had hij nooit gezien. Die zwiepende