373
anker laten vallen. Nou verkocht hij dat hebzuchtige dierage haar eigen ״spullen", zonder dat ze er een asempje besef van had.
Frans Leerlap kwam met zijn sleependen jichtvoet van het duivenplat hinken.
— Jij heb d'r pure X-beene,... lachte Karei naar Nel's man... As d'r ereis eén in 't alphebet mekeert, stop ik joü kuite d'r tussche!
Al de kinderen hingen aan Karel's lijf en Nel lachte van geluk, nu Karei in haar woning zat. Dirkje kreeg een „klapsegaar"! Willem, de weesjongen, bestaarde Oome Karei... als een wonder ... Jaapie vergat te stotteren ... en Leendertje draaide al zijn platen af op zijn orgeltje, ter eere van „hem-daar, mi-se-arremonica".
Burk vertelde guitig aan Nel, dat hij vandaag, onder den spat in de herberg, drie kolonialen tegen het lijf was geloopen. Eén had er een houten arm; de tweede een hout been; de derde bestond heelemaal uit hout. En Nel lachte gul toen Karei beweerde, dat hij:
— Se pesioen krijgt uitbetaald in twaalf houte guldesl
Karei keuvelde en draalde, draalde, maar Corry kwam
niet thuis, en Nel's gezicht betrok en leek al smaller van verdriet te worden.
Toen drie dagen later, Karei een heel fortuinlijken nachtelijken vlettocht had gemaakt met garnalen en kleine aal, sloeg hij een verdienste in van over de honderd gulden. Hij zat er zelf met zijn halve verstand bij te kijken. Wat een masseltje! Eerst op de hinkende slof,... noii ving hij haring met gouden belletjes. Fijn, daar kwam zijn colbertje weer aanwandelen van Oome Jan; daar ging hij weer gestucadoord om den hals. Zoo maakte een zwabber als hij toch wat avontuurtjes mee in het land.
Op straat gaf hij een handelaar in fijne houtwaren, — zooals Karei altijd met lucifers-opdringende-bedelaars
Gestucadoord: boord en overhemd.