369
zoó ontzettend bang was ze nooit geweest en zoó erg had het ook nog nooit gebliksemd, meende Dien. Ze stamelde en stotterde. Toen kreeg Karei, die nu zag dat het meenens werd, meelij met de malle kwast. Hij probeerde haar te sussen door zelf te zingen en te lachen, te toonen dat er geen gevaar bestond. Zóó verbouwereerd had hij nooit een menschelijk wezen zien gapen en staren. Ze moest maar wat water drinken, meende hij en Karei bracht haar een groot glas. - — Fokse wijn mit jandoedel,... spotte hij.
Toen het onweer bedaarde, zag hij mét de lucht het vale gezicht van Dien opklaren tot een ander wezen. Hoe meer brokjes blauw ze weer in den hemel zag uitscheuren, hoe meer moed ze kreeg en hoe klemmender ze ieder gezegde van Piet of Karei ontstreed. Ze kreeg allengs weer haar schelle kijfstem, haar snauwenden toon en brutale manieren, en na een uur deed ze alsof ze nooit een moment van vrees had gekend. Ze begon weer met lust te liegen en haar wrokkende antipathieën tegen ieder en alles uit te stooten. Ze schaterde en vloekte, keek vernielend en dol-verheugd óm het kwartier. Ze verhaalde Karei met bluf dat ze zooveel cadeautjes kreeg en liet hem allerhande ״geschenken" zien, die zij zichzélf gegeven had. Piet kende haar zieken leugenaard en zweeg, maar Karei verafschuwde haar opnieuw en het speet hem zéér dat God de Heer het niet opnieuw liet onweren en bliksemen.
Op een middag zat Karei weer bij Dien te wachten op haar man, die mee uit hengelen zou gaan. Karei leek luidruchtig opgeruimd. Hij had weer gepoekeld met Corry, fijn!... en ze liet zoo alle damesachtigheid bij hem los. Hij kon de wereld wel zoenen, en de menschen vond hij brave en nobele jongens! Stilletjesaan was hij op slag geraakt. En nou, ach ... het werd een vreugde! Zijn oude eenvoudigheid, het leven te nemen in al zijn golvingen, zoo op, zoo neer, in het licht, in de donkerte, hij vond het alles wél. Hij was nooit korzelig geweest, nooit klein-prikkelbaar. In den zwaai zijner onbewuste groot-
24
Van Nes en Zeedijk