368
Ze zat gedachteloos te staren, dan met dit, dan met dit voorwerp in de hand, zonder te beseffen wat zij er mee uitvoeren moest.
— We gaan om gaajes!... dreigde Karei weer bar-ernstig.
— Seg dè toch nie!... sukke verschrikkelijke dingel... suste Dien.
— Is da narigheid?... foor soo'n gebrande jonge as ikke ben? ... lachte hij.
Dien bekeek hem met gesperde oogen. Lachen... lachen? Durfde er een mensch bij zulk naderend noodweer van bliksem en donder lachen? Ze zou er koud van hebben kunnen worden als ze dat al niet was.
— Je breng 't weer in fersoeking!
— Ikke, vrouw? ... deed Karei diep verbaasd,... Ikke? .. . heelegaar pooserjat,.. ikke . . . die op me broekspijpe sta om d'r schoene uit te spare?
Dien beefde, toen de eerste slag over den Jordaan gelijk een huizen-instorting heenrommelde. Ze kreeg een gevoel alsof ze plots zonder beenen en armen stond. Een felle bliksem-zeis kliefde de kamer door. Dien had alles potdicht gekneld. Maar het licht brandde over de twee op-gepronkte kamertjes éven, als een violet-roode vlam. Ze wou in de eerste opwelling en bevenden schrik, vluchten, de trap af. Gaf niets, kwam ze op straat. Op het zoldertje bleef ze alleen, kon ze krijschen tegen de donderingen in,... kon ze bidden. Dan maar in het donkere kolenberghok, voorbij de gang. Lijkbleek holde ze weg, toch schaamvol dat ze zich verstoppen ging. Maar Karei schaterde en zei overluid naar Piet, zoo dat Dien hem nog zeer goed kon verstaan: Niks was zoo aantrekkelijk voor den bliksem als de lucht van steenkolen.
Dien dacht het te besterven. Wild joeg ze het hok uit, maar weer van twee kanten flitste de bliksem haar in het verwrongen angst-gezicht, uit de keuken en het achterkamertje. Ze wou springen en gillen! O, o, ol...
Pooserjat: doodarm.