365
De avond viel, terwijl de hemel dreigend aandonkerde in zware onweerswolken. Dien, in angst voor bliksem en donder, sprak lief-zacht en toegeeflijk en keek als een opgejaagd lammetje. Hoe angstiger de lucht koperde, hoe toegeeflijker ze werd en hoe lieflijker ze met een ieder instemde. Mooie Karei spotte:
— God de Heer sel d'r ons effetjes in de luwte sette! Dien werd bleek en staarde naar de onweerslucht.
— Sou je denke?... vroeg ze bangelijk-zacht.
Karei Burk verafschuwde Dien's kleffe wezen. Al wat hem in een vrouw kon tegenstaan, bezat zij; kleine, schriele pronkerij, inhaligheid en gulzige babbelzucht. Zulk een gierig cratuur kon hij met wreede gevoelloosheid sarren. Zooals ze daar nu, in haar smoezelig jak, de magere, gele hals bloot, vóór hem stond, de dunne handen over de platte borst beverig en krampachtig heen en weer strijkend, een weinig ingekromd het schrale lijf, haatte hij haar en hij moest zich bedwingen om Dien niet uit te schelden. Moest die boomkikker nu het leven van een besten vent als Piet, zóó vergallen? Wat keek ze toch zoo schuw de lucht in? Aj!... was ze in de benauwdheid voor het onweer? Kijk, daar zat ze nou voor het hooge, smalle venstertje, óp te gluren naar den donkeren, valen hemel.
Voor de kinderen had Karei, in zijn eenvoudige goedhartigheid, wel voor dertig cent snoeisel op de lat gekocht. Maar ze sliepen al op het zoldertje.
— Tjonge ... tjónge!... wè selle we nou te alle tijje op ons smaldeel krijge!... verzekerde Karei strak, met schijnbare ontsteltenis en een dreigenden ernst, alsof er een ongeluk ging gebeuren. Dien begluurde hem angstig.
Ze verafschuwde eigenlijk altijd den zomer. Iedere lichte dag bracht haar benauwing en angsten. In den zomer leefde er allerlei narigheid om haar heen. Ze was als de dood voor vette slakken, met slijmerige voelers; voor weeke trilwormen uit de blompot-aarde; en voor
Snoeisel: lekkers.