362
was, in hün armoe, een loer draaien. Zoo doodgesjochten kon hij lang genoeg blijven tusschen de royale jongens, die altijd op zijn zak klap geloopen hadden.
Zacht zingend en doortinteld van schelmsche vroolijk-heid, liep Karei het ״Bruine Paard" in op de Prinsengracht.
Zoo een gedalliste gooser als hij nu was, kon en mocht zorgeloos boert van de tong slaan.
Sjouwers en kaaiwerkers stonden de dorstige kelen met bier nat te spoelen. Dadelijk viel Karei Burk uit.
— Jonges... nou heb ik ies tóp hèl
— Watte?... vroeg halsrekkend Lange Dries, een aardappelventer.
־־-. — Schoure onder de pet,... lachte Karei.
־— 'n Neutje? ... bood Jan Trammelan ertusschen door.
— Nee,... sloeg Karei af.
— Kom, pak üit dan!... schreeuwde de venter.
— Verloot-werk,... zei Karei zacht.
— Soo!
— O!
— Watte?
De kerels omgonsden Karei met vraag en weervraag. Karei wist dat de Jordaners verzot waren op spel en loterij.
Met omhaal en guitige zinspelingen op hun gok-harts-tocht, vertelde hij, een prachtklok te zullen verloten,... vijf cent per nummertje... en niét meer dan honderd stuks.
— Waar sting ie?... vroeg Jan wantrouwelijk.
— Nee, geen bedelslag!... weerde Mooie Karei den sjouwer af,... te sien bij Meyer.
Al de Jordaners kenden Meyer, den besten klokkenmaker van de buurt, op de Prinsengracht, tegenover den Westertoren. Meyer had altijd mooie, glimmende, op-gecierde en goedkoope waar.
— Wie mot naar se geluk grabbele?... zong Karei.
Gedalliste gooier: arme kerel. — Schoure: waar.