361
Hij knarste en kraakte de kaken op mekaar. O, hij was zoo een ellendige dobbeldieft Dat waren alle jongens van de vlakte ... Zéker,... maar zoo een banjer als hij, die zoo mal huppelde,... was er niet één meer op de naakte wereld. Hij spaarde geen truffel en geen ham. Een joetje werd kesef in zijn handen en na een kwartier rood goed.
Op de keien of op de banken, in de spiezen,... hij dobbelde, 's morgens, 's avonds, 's nachts... hij dobbelde! Hij was een ouwe dobbelstoethannes van een gokker hè? Als een sluipende kat sprong hij de jongens met de daaien of de kaarten op den nek. Bleven ze ongezind en afkeerig van den gok, dan sloeg hij hen met een nekzwaai tegen de steenen. Hij verdobbelde alles, alles! Zijn jas, zijn baaien broek, zijn tredderikkers,... als het moést... zijn meid.
Maar het meest werd Piet gemarteld door zijn zelfkwellend bijgeloof.
Vandaag had hij gespeeld onder het gajes. Verloren, natuurlijk leege platvin. Waarom dan? Alleen omdat die vervloekte Mottige Berthus in de Kuil van Moeke naast hem was gaan staan. Als die sprinkhaan het donkere hol inwipte, werd het misère tot den nok; verloor hij bij iederen slag of worp; stond hij te trillen op zijn kleesen. Met zijn vromen mond mummelde die kerel mee en verdoemd als hij niet de kansen tégen hem keerde. Hij had den vent de doode ratten, die Moeke iederen avond van den achterkant, het water uitvischte en aan de staarten te bengelen hing, over een stok, wel op de vrome tronie kunnen toe-zwiepen! Kwam daarentegen Jansie, de meid uit ״De Stad Antwerpen",... och,... dan liep de zak vol. Dat was geen allemans-werk. Die meid wou stichtelijk dat hij won, h(j, Piet en dan wón Piet ook kedin! En zoo zat hij nou te kniezen, om dat naast-hem-staan vandaag van den ge-meenen Mottigen Berthus, dien hurkenden turftrekker!
Joetje: een goudtientje; ook: gouden spie of fokse duit. — Kesef: zilvergeld. — Rood goed: koper. — Daaien: dobbelsteenen. — Tredderikkers : schoenen. — Platvin of platvink: beu», portefeuille. — Kleesen: beenen. — Turftrekker: zakroller.