357
Lien, Riek en al de anderen heendwarrelen. Om ze haar pest en minachting telkens weer in het gezicht te kunnen spuwen. Blonde Kee en Witte Na konkelden mee, maar poekelden niet openlijk. Die grandige meid wel,... die beet en stak er tusschen haar schimpen, een geurig pennetje in den mond. Nee, nee, ze zou er onder, diep onder,... dat krenkende hart,... die niks deed dan kapsones maken tegen de jongens en ze den lodderigen kop door een tuimel slaan. Die grauwe job van een Jet zou N de dellen wel ophitsen,... pekaan,... onder het scharrelen, ... en hij zou een versch klankertje op haar openknallen. Het was ״te alle tije" een grandige meid!
Piet bleef doordrinken tot de schemer voor de ruiten van het sombere kamertje grauwde. Matje was nog niet teruggekeerd, en nu begon het woest en warrelend in den walmenden kop van den souteneur te hallucineeren.
Over den Zeedijk donkerde de asch-achtige avondmist neer. Het Kuipersgrachtje, waar Piet op uitkeek, lei te zweven in een grauw-paarschen damp. Het brakke water zoette stank af. Piet keek naar buiten, voelde zich ellendig en vol opgekropten wrok. Als hij te veel gedronken had, niet meer kon loopen en de dag met verlies in het spel teloor ging, en Matje kwam laat of niet, dan begonnen, altijd tegen donkeren, in Piet de angsten óp te jagen.
Piet was een melancholische drinker. Vroeger, in zijn arme zwerverij, was hij door uithongering en ellendigheid tot roof en misdaad overgegaan. De laatste jaren niet meer. Maar zoo alléén, begon hij zich al de mislukkingen en het wilde chagrijn van zijn leven haatvol voor oogen te jagen. Toch... geen zier berouw voelde hij; om niets... niets!... Hij had heel dikwijls dolle sprongen in den wind gemaakt. Ze konden hem, wat dat ״angong", bestig het ridderkruis van trouwen dienst geven! Maar wél wroeging had Piet van zijn dobbel-dieverijen,... dieverijen aan ״zijn eige"!
. Grandige: fiere, hoogmoedige. — Pennetje: sigaretje. — Tuimel: raam. — Job: oude schuit. — Klankertje: flesch.