356
De looze bedriegzucht flitste Jet's waterige oogen uit.
De kerel daasde. Maar, dat voelde ze... Corry ging er ónder. Nu stilde de wrok. Ze kende Piet in zijn sombere dronkenschap. Wel moest ze zélf oppassen en den loggen bobbert van haar lijf afhouden. Telkens schonk hij zich het glaasje vol en zijn zakwangen koortsten paarschachtig van gloed, terwijl hij gromde:
־ — En de mokkels motte sich mesooles hellepe...
Nee, nee, nou had Jet de zekerheid... Corry ging eraan! En ze bedelde weer biertjes af van Zwarte Piet... tot ze stomdronken uit het krot zou worden weggesleept. Het bleef in haar juichen, onder het gulzig slurpen... Corry, ... dat kreng... ging eraan, vast!... vast!
Toen Jet was opgestapt bleef Piet nog dralen en in zichzelf spreken met het glaasje voor zich. Corry... Corry ... 'n fijn niesse!... Hij trilde van verlangen. Dat zou ereis " een treffertje wezen! Had hij dat nefke eenmaal, dan kon zijn schuitje volloopen... met den gok. Het deerde niet. Ze bracht altijd nieuwe klaver. Zoo een meid kon ieder hanig zwabbertje op den Dijk vrij het zevengesternte laten zien " aan een pikdonkeren hemel! Nee, nee, die temeije had haar weerga niet. Als nou zoo een afgezworven meikever en v nieskaffer als hij, nou nog zoo een nestje vond... om je - dood te miggelen! Maar zoetjes-aan... Hij was in de me- lane... En hij moest uitkijken, dat Matje niks lenste, anders sloeg die de gamelan, die slobkous.
En Piet dronk zichzelf stilzwijgendheid op. In hem bleef de teemerij:... Corry ... nee, die meid had haar weerga niet, niet in de Nes, niet in de Warmoebijs, niet op den Dijk.
Matje, Schaartje, Koos en vooral Riek Kop-zonder-Kies bespogen haar, omdat Corry de dellen in hun vrije uurtjes s half dood sarde,... zoo grom als ze was. Piet wist het ... daarom alleen bleef Corry rond Beige Suzanne, Zwarte
Mesooles: kapot, ziek. — Miggelen: te verblijden. — Melane: dronken. — Bijs: straat. — Grom: jeugdig.