353
Jet, onder Piet's zwatelen, broeide,... broeide. Toen, eindelijk had ze de stukken voor mekaar. Die kerel moest haar helpen Corry naar de laagte te trappen, Corry klein krijgen. Op Lou wachten,... nee, dat wierd te wisselvallig, kon te lang duren. Al haar lokmiddelen waren tegen de meid opgeraakt. Nou moest het ruwe geweld. En ze begon sluw en tastend naar alle kanten, Piet over Corry te praten v en den souteneur fel óp te winden, of hij wel ereis gelenst had wat een beeld van een meid dat was.
Piet gromde en knorde:
— Heb d'r nooit op de schaal geblase.
Joden Jet tastte door... Nee, 'n del was 't niet, maar ook geen nonnetje.
— Nee, maar as se... uitfalt steekt se temee je hart af!
Joden Jet schrok. Heeremeranum, in wat voor gevaar
begaf ze zich met die deern? Maar als het sluw bedacht wierd, paste het fijn. Ze smonselde voort. De meid moest voor eiken koenen kerel een fortuin worden,... dat stong vast. Ze kon de zwabbers bij hun levende spillen pakken, zoo van de heete straat.
— Maar Matje ka je d'r nie uitboene hè?
— Wat?... Matje?... smeigelde Jet door, .. dat was toch haar vriendin?
Zij, Jet, zou die niesses wel bewerken. Ze verafschuwden allen dat trotsche schepsel. Ze moest ingesloten door een heel garnizoen. De meiden zouden haar graag te pletter smakken; dat blonde liefdezustertje ... kon zoo fel schimpen en vloeken op hun bedrijf. Zou Matje ópkranen voor '׳- haar? Hoe kon zoo een ribbemous, zoo een ״krimeneele *־ schepper", nou zóó mesjokke zijn? Matje was en bleef de vetste vogel van den Zeedijk,... la dié maar fladderel... die komp altijd weer terech!... die rook 't nes... Maar van Corry was het roompje nog niet af, daar deed ze geen '■־ linkdajem voor.
Joden Jet begon stuipachtig gejaagd en brokkelend te
Ribbemous: mannetjesputter, krachtige kerel. — Linkdajem: valsch vloeken, meineed.
23
Van Nes en Zeedijk