349
prooi bleef en onder het loeren, nog met een halfdronken nachtgast munt kon smakken.
Tóch haatte hij Joden Jet fel en verbitterd, omdat ze sluwer, gemeener en soms nog wreeder was dan hij. Hij haatte haar om haar sloeberij, haar door-en-door verdierlijkten en gemeenen sluipaard, haar valsche, gluiperige, toch diep-in laffe en angstige natuur.
Zwarte Piet sprak haar ook nü weer met een woedende minachting aan.
— Vuile sliegeraarster!... daar hei je me weer aarepels mit spek opgedraaid!... Ik sla jou lieferst blind as scheel!... Voor joü meine-deine-streke...
— Wad ... wad? ... ikke .. oggh!... god zal mijn beware!
Zwarte Piet kende het angstige woord-gehaper, de kruipende houding en de vleierige tong van Jet.
— Jij kreng, heb de niesses ferraje!
— Oggh!... hoe ... hoe kóm j'r an!
— Ik móst je... knoloog!
Piet hief zijn geweldige knuisten en Jet stoof achterwaarts een hoek in.
"" — Hande thuis!... geen knurf!... schreeuwde ze heesch van benauwdheid, flink in schijn.
— Wat lét me!... dreigde Piet en in zijn duistere oogen begon het al woester te lichten van drift en de dom-wreede grijns sneed in de bleeke zakwangen ontzin-den toorn.
— Noh... noh... effetjes geduld,... je krijg ook je porzie... je nuwe deel!... schreeuwde Jet terug om den dreigenden vent af te weren.
— Hoe ... wat? ... vroeg Piet en kalmeerde plotseling.
— Kijk nou... tsja!... kijk nou ... malle jonge, pad'' jakker,... smeigelde Jet en ze begon Piet het fijne van
de zaak uit te leggen, telkens een vreeselijk vriendelijkheids-grijnzen van het grauwe gezicht afpersend. De wilde hartstocht voor haar vak beheerschte Jet geheel nu
Knurf: klap, slaag.