339
Riek,... na 'n paar ure ... se sperrewer hale, seit ie ... Dan ... rukt ie ... rukt ie me knar los ... heb ik... as... as... half ... gewurgd... blauw... d'r bij g©-krope... lam in me nek... en me lende!
Corry walgde van Riek, maar nü rilde ze. Het smarte-lijk-verwilderde gezicht van de vrouw leek al de pijn-vernedering te ondergaan van deze helsche souteneurs-straf, alsof ze de marteling op het oogenblik van vertellen weer doorleefde. De drankverhitting bracht een vreeselijke bewogenheid in dit wreede, bijna onmensche-lijke vrouwengelaat.
Matje sprong plots óp. Ze moest naar het jodenwijf, de ״onruststookster" en lawaaiig sleurde ze Corry de kroeg mee uit.
II.
Den volgenden dag zat Corry weer bij Matje op het kamertje toen Joden Jet instapte, bepakt en beladen.
— Misslag gistert hè? ... Nou ... sjhat nie ... sjhat nie,... en ze blies van de warmte, viel amechtig op een stoel neer.
Matje verontschuldigde zich met een beroep op Corry,
— Tsja ... tsja ... grijnsde Joden Jet, terwijl ze haar voiletje even tot boven de schuwe, fletse oogen optrok,... nou heb ik wè fijns voor je ... Is je vent d'r nie?
— Komp straks... Wè mö je fan 'm? ... vroeg Matje bits.
— Ikke?... god sal me beware!... Ikke?... ikke mins? ... ik mot van hém niks!
Jet begon haar waren uit te stallen, alle mogelijke dingen, die Matje niet noodig had, maar die toch verleidelijk werden aangeprezen. Joden Jet pufte vreeselijk van benauwdheid.
— Mit joü... dreigde ze naar Corry,... heb 'k nog 'n appeltje te schillet
Sperrewer: paraplu.
22*