341
Riek't item huilde wrok. Haar verwrongen en wreed gezicht »tond gemarteld onder de versche herinnering van een pas onderganen smaad.
— Sie je meide,... kermde ze met schuim van gif op de lip,... la tie me liefer» 'n mes deur me darrem» scheurel... as Leendert... mi Willie hè?... Maar dè ... di!...
En ze griende en hijgde en de blauwe zwellingen onder haar wilde oogen werden paarsch en dooraderd van bloed.
Ze ontblootte, traag van eigen ontzetting, haar hals en liet een diepe, vuurroode kringgroef zien om haar nek, alsof ze met een koord half gewurgd was. De oogen staarden dol van woede. Ze schuimbekte en schokte toen ze vertelde dat haar kerel, de gewichtenwerker, wanneer ze even maar een asem terugstribbelde, tegenwoordig haar doodgemoedereerd neerboog en den spartelenden en ruk-kenden kop tusschen twee nauwe sporten van een stoel inperste, waarop hij drie halters van honderd pond neerlei.
— Dan la de schooier me soo balleke,... twee uur achter mekaar!
—■ Jezus!... schreeuwden de meiden.
— Alle hengste!
— Smeert ie se eige en ik wurg me d'r uit!
Ze huilde krampachtig stil en de vuisten bonkten in dolle woede-opwinding op de tafel.
— Maar,... kermde ze voort,... dè lukt nie!... dan heb ik 'n striem om me nek... bin 'k net fan de galg gesmakt!
— O,... o... o!... schande!... schande!... riepen de meiden dooreen.
En Riek griende en brak een jeneverglas in haar zenuwknuist. Geen der Zeedijkvrouwen roerde zich. Ze bestaarden den verwrongen kop van Riek, afzichtelijk van machtelooze woede en gekrenktheid.
— Komp ie ... doodketoen... op honk,... snikte