336
— Nét soo'n smerige diefemeid!
— Oele... treiterde ze door.
Corry bleef staan, trots ongedeerd tegen al de wilde, scheldende en schimpende kijfstemmen der elkaar bijvallende wijven in. Telkens beet ze de snollen schimpen-der woorden toe in sarrenden wrok en al giftiger en be-leedigender minachting. Brandend vloekten de meiden, zwaaiden met de glaasjes en maaiden met de dronken armen.
Corry lachte, onbevreesd, tartend.
Matje en Anne Looy alleen, hadden respect voor de mooie meid, voor haar lef en haar koude, lachend-spottende treiter-antwoorden. Matje wou subiet, om de ״kijfruzie" te beëindigen, op den heeten Julimiddag De Gele Ballon in, een tof stukje dansen, op den „toon" tus-schen de stof.
— Set me dan die pet schuin op me knarl... lolde Matje en ze begon, de rokken hoog opgezwaaid, een apachendans en te klappen in de handen.
— AUoo diefemeide!... op épèl!... schreeuwde ze, de kers-donkere oogen in vlam nu de danshartstocht uitbrak.
Maar de meiden wrokten en bleven ongeroerd voor Matje's fratsen. Dien vertelde hikkend van haar wreeden kerel, dat ze, als ze „klanten" had, 's avonds altijd moest doen alsof ze de deur sloot... Achter de gordijn sloop - hij dan stiekem in en roofde platvin, oksenaar en al wat er te gappen was. Hoorde de klant wat, dan moest ze hem half smoren. Dien's zenuwtrekkend gezicht huiverde en haar lichte, geelachtige oogen knipperden hevig onder het spreken.
— Wa bi jij 'n malle lampepit!... schaterde Schaar-־ tje. Die begreep niet waarom Zwarte Dien zich geen
vrijzetter liet geven, als haar „keerel" drie maal per nacht deed. Dan sloop hij óp, wanneer haar volk nét de kamer opkwam en plots, met schel kabaal, vloekte hij
Platvin: portemonnaie (portefeuille). — Oksenaar: horloge. — Vrij zetter: een man die een vrouw z.g, „bevrijdt".