335
—׳ Medam Rietschok fan Kikkerement tot Flapjanus!... gilde Riek aan Corry's oor.
— Wég je vuile asem!... en Corry stootte de dronken waggelende meid op haar stoel terug.
— Wij hebbe op tijd de bik,... sarde Beige Suzanne.
— En de lik!... gierde met dweepoogen Riek,... annéme Cobus!... nog 'n klare mit suiker!
— Nummer sefe ... nog één... hei je je taks,... zei Cobus droog.
— En ... en ... as ... ik selfers benossel?
— Dat is wèt aar,... bromde Cobus die het niet geloofde.
— Kom, gooi d'r fijn 'n moppie grammefoon deur,... smeigelde Matje naar Cobus, die zich doof hield.
De andere meiden lieten Corry niet los, beweerden dat het gemeen was van haar om te zeggen dat ze laffe slavinnen waren en kropen voor haar kerels.
— Onse bik is d'r toch op tijd,... herbegon Suzanne weer.
— De bik,... weerde Corry ongebluft af,... ja, 'n ^ broodje uit 't vuisie!
— Nou, kook jij veur me?
— Ikke? ... stootte woedend Corry uit,... veur zukke nakkedikkers? ... sukke dolmgaste? ... hahaha!... frissche morrege!
— En we benne wa blij... we hebbe allegaar onse jonges, die op de Dijk scharrele... Wullie binne de
׳ fijne pernoose!... sarde Schaartje nijdig naar Corry, om haar loopen-zonder-kerel te betreiteren.
— Scharrele? ... spotte Corry venijnig,... gannefe!
— Jij nie!
— Nee, ikke nie.
— Es knijse,... as je 'n jaar langer je rokke draagt *bofe je iepe,... bi je nét soo'n nakende neet as wij!
— Oele!... wrokte en sarde Corry.
Benossel: betaal. — Nakkedikkers: berooiden. — Pernoose: kostwinning. — lepe (iepen): schoenen.