329
ingevorende mondhoeken, ratelde als een grammophoon-op-springen. Onder het spreken zonken de vreeselijke mondhoeken met een diepe vouw de wangen in en haar stompige kop grijnslachte bij ieder woord. Ze jammerde dat haar kerel zoo een vuile boef was, die al érger werd met den dag.
— As ik... op hede folk heb ... gaat hij 'n kop sog slurrepe,... is hij moei! ... 't is kim!
— En mijne trekt se windvangertje an en doet se snurk!... schaterde Riek Kop-zonder-Kies.
Riek Kop-zonder-Kies' verwrongen en wreede gezicht, met blauwe zwellingen onder de wilde oogen, keek al de meiden een voor eén aan, alsof ze vragen wou... ״hoe vin j'm?"
Naast Riek schuilde in het kroegdonker, Anne Looy, geelbleek, en stil uit de diepe oogkassen voor zich uitstarend. Beige Suzanne, vette blondine met een blank opgezwollen hals, vol valsche cierselen ópgepronkt, die flonkerden in het kroegduister, zette den krop uit en zong:
Hij heeft d'r daalijk fastgegrepe, Gaf haar toen seve diepe steke...
Lange Lien, het snorrenmensch, sprong op en rammelde tegen Suzanne in:
— Seg,... is dat ons fersoeningslied?... Bier dat fenacht as we na de koffer tippele!
— En je kerel geef je folk 'n centremetaal in de ruimte!... lachte Riek Kop-zonder-Kies.
— Kijk,... daar springt Schele Mien!... Hé Mien!... Mien?!... krijschte Koosje.
— Se is effetief te swaar om te hoore,... meende Lange Lien, haar donker snorretje betastend.
Corry koekeloerde de straat op, naar Schele Mien.
— Hou je waffel!... stoof Riek op en wéér krijschte ze naar buiten, maar Mien kwam niet.
'n kop sog (zog): 'n kop koffie. — 't is kim: 't is in orde.