323
zakken, de handen onder den nek saamgeschroefd. Ze begluurde eerst heel ernstig het vergulde plaatje van haar portret-album, te prijk op den afgebrokkelden schoorsteen; toen de lage, zwartberookte zoldering, alsof ze webben zocht en heel zacht begon ze te zingen, tegen Corry's wrokkende zwijgen in:
— Trala ... raral... Fijn, wat? ... onderbrak ze haar neuriën,... zoo'n tof... koeskepeetje fan j' eige!
— Je bin d'r maar nie 'n olmse bakvisch veur je kale neut!... spotte Corry schimpend op den kop van Matje's souteneur.
— Groot léf hei je!... dreigde Matje.
— Veur jou vent!... Ik lust 'm!... beet Corry terug.
Gedempter sprak Matje nu weer, overbluft door Corry's
״ stout-uitdagenden toon. Want dat de meid muimen kon als een vent, dat wist de heele buurt. Hoe had zij Schele Kris in zijn eigen kelder niet lest van haar tengels laten kluiven, toen Dries nog een messteek in zijn zij voor haar opliep! Dat wilde niesse had er altoos een afdakje boven haar kop; sloeg je haar, dan bezeerde je je eigen.
Matje draaide bij.
— Nee,... baffiane as jij is kedin, hè?
— Oele!... schokte Corry's mond.
— En... as... Heintje Punt.
׳ — Aboe!... lachte ze met spoelgeluiden.
— In 't tuintje fan Elsie, mit 't stadsgesicht op je vaar,... schimpte Matje.
— Tussche de bigge!... lachte fel Corry mee, over haar woede-gril heen,... je stiekem houwe en doen of je neus bloedt...
— Aje je vinkie laat fladdere!... schaterde Matje, die lag te schokken van den lach op haar bed.
Ineens trok haar pretgezicht strak en sneden smartelijke huilgroeven om haar mond. Ze dacht aan haar
Koeskepeetje: hier: gezellig honk. — Muimen: slaan. — Tengels: vingers.
21*