332
— Wè 'n fotsekratser bi jij tochl... beet Corry weer sarcastisch af.
— Hoor de minteneé fan de Nes!... spotte Matje venijnig weerom. Corry sprong woedend van haar stoel en raasde wat giftigs, inmiddels een vuil, gehavend corset van Matje, dat over een stoelrug bengelde, driftig wegslingerend.
— Hou je sjaakies,____ sarde Matje, terwijl haar
kars-zwarte oogen fonkelden van wreedaardige, sarrende bevrediging.
Zachtaan had zij zich weer achterover laten vallen en koel-rustig klonk haar stem:
—׳ Jij Peilt mijn,... ikke peil joti.
Corry bekeek wild de vadsige Zeedijkmeid, die om drie uur in den middag nog lag te rengelen op haar broeisch bed en haar leven van fatsoenlijk-Jordaansche in één half jaar tijd tusschen uitvaagsel van kerels en vrouwen had verslingerd. Ze was vooral spinnijdig op de slonzige del, omdat ze het zoo gemakkelijk nam en zich zoo schaamteloos om-en-omwendde in het lekkere, luie niets-doen. En ze draaide smiechtige loentjes. Want Matje wist toch dat Corry nooit had gedaan wat zij en al de andere dans-vriendinnen en getippelden, zoo brandend graag wilden dat ze deed. Daarom loog Matje met haar beuzelklap en gekke grollen en dat spoot Corry er nu even giftig uit.
— Soet maar meissie,... spotte Matje,... trek 'n lurrekie... hoor,... geen appeleflauwsies... brafe sus!
Corry stampte op den grond.
— Ikke rispicteir je fesoen mens!... lachte Matje valsch.
— Dè la me ijskoud,... maar je liegt!... Je sla me an!״.. Sla je kérel an,... nié mijn!... schreeuwde Corry. —
Matje was in een woedenden ruk overeind, maar liet zich plotseling weer langzaam en beheerscht achterover
Sjaakies: kalm.