ACHTSTE HOOFDSTUK.
I.
Matje Scheefduim rengelde zich wellustig in bed en geeuwde als een drogistengaper. . ,
— Heb soo'n maf,... kreunde ze. ' '
— Lui beest!... schold Corry Scheendert wrevelig.
— Wat hebbe-me-nou!
Corry keek Matje minachtend-ironisch aan. . .
—׳ Drie uur lel!
— Fijn... sarde Matje, de oogen halfdicht geknepen.
— Ik wou dat ik fan joü soort d'r nul hange had!... kregelde Corry weer.
— Sure pest?... gek creatuur? ... vroeg plagend Matje.
— Sta dan op!
— Mö je kenne, pijp keneel!
En weer kronkelde Matje zich boven haar dekens in en uit en sloot de oogen in zinnelijk welbehagen. Haar goedkoope, smerige peignoir lag gekreukt tusschen de machteloos-uitgerengelde armen, die juist de smoezelran-den van haar waarzegkaarten, onder de peluw open-woelden.
— La je baardje koolteere... lachte Corry naar Matje, een zwarte vlek op haar kin aanwijzend.
—׳ Mijn geen misslag!... weerde de Zeedijkmeid af. Plots, in een ruk schoot ze van haar kussen overeind, dat de lange, donkere, ongekamde haren van de schouders opzwaaiden.
— Immes!... strakkies komp Jode Jet!
— Soo!... schrok Corry licht.
— 'n Fijn somerstewelet op de lat!
si
Somerstewelet op de lat: zomertoilet op afbetaling. Van Nes en Zeedijk