3ao
van Vader Tram. Hoe had de schelm haar een slok durven weigeren!
Plotseling voelde Karei een helsche drift in zich óp-werken, door zijn overstuursche en uitgeputte zenuwen heen. Hij moest zich eens genadeloos bedrinken, om aan zijn ineengehurkte houding te ontspringen. Hij zag aldoor de bedelende meid en van Willie het bloed onder de oogen. Hij moest de buurt weer door, in een geweldigen roes opbranden en van niks meer weten en zich niks meer herinneren.
Een kleine boomuil vlerkte langs zijn ooren. Hij schrok. Onder een lantaarnvlam zag Karei het grijswitte uilengezicht even schuw oplichten en toen het beestje, in vlieg-bochtlijnen, tusschen duistere kruinen verdwijnen.
Uit de hoogte hoorde hij toen nog de vogelstem zacht, ontsteld en klagelijk. Zijn voornemen om zich een vreese-lijken roes in te drinken, was inéén weggezonken. Nee, nee, als ze hem zwaaiend ontmoette,... zij,... zij... Corry! O, die meid... maakte hem nog stapelgek!
Tusschen zijn smartelijke, woedende en begeerende gevoelens gaf hij zichzelf korte, stille antwoorden en telkens bromde hij:
— Tóch 'n dapper niesse,... 'n fijn niesset