318
sluiptred der naderende souteneurs en hij wist precies hoe ze bij verzet onder beroovingen en uit angst voor geschreeuw, het mes lieten flikkeren voor de oogen van het bevende slachtoffer. Dan hoorden ze op die oogenblikkerj zelfs den dravenden brandweerwagen met al zijn rinkelend geschel niet, zoo waren ze wég in den roofhartstocht. Voor hen was het buitenbuurt-achtige van deze stegenwijk zonder geheimen. Daar vlak bij dat roode achterlicht, dat telkens groot en klein werd voor het keldervenster en als een vuuroog in de zwarte waterdiepte tusschen wal en huizen leek te staren, daar vlak bij had Kees de Kurke-snijder zijn hol en Scheefhals er schuin onder, die al de seinen van zijn makker ópving en op veilig of onveilig stellen kon. In deze kamers en kelder-achteruitjes, zoo argeloos opgetooid met bloempotten en lijsterkooitjes, school de bende van De Matroos saam; hielden de dieven, inbrekers en valsche spelers hun duister honk om misdadig werk voor te bereiden in de avondschemering, bij de zwijgende grachtjes, het stille water, de hooge brugjes en poortjes, geheimvol beschermd door de boomkruinen die altijd ruischten. Hij had gezien hoe hier getrapt en geroofd werd, en hoe daar afzichtelijke oude wijven in lompen voor een korst brood zich verkochten.
Karei wandelde weer het gedempte gerucht der vecht-kroegen tegemoet, waar om een haverklap gezongen, gebruld en glaswerk stukgelagen werd. Maar tusschen het kokende rumoer op den Zeedijk kon hij van avond geen rustig oogenblik vinden, al had hij het ook verwacht.
Weer doolde hij het Kolkje langs, dat naar den kant der Geldersche Kade, geheel afgestorven lag van stadsverkeer. Ook die gracht, met haar blinden huizen-achterkant, lei even somber als de Achterburgwal onder het vaal-gele, slorpende licht van een slecht brandende lantaarn, met haar zwarte en hooge pakhuismuren, haar leu-ningloozen waterkant en het geheimzinnig bijéén-hurken der vuile rendez-vous'tjes. Onder de schichtige glimmering van het diepe Kolkwater, voelde Karei zich nóg gejaagder.