317
leek daar de nacht te sluipen in heel zijn doodsombere geluidloosheid.. Nokken, vreemd-gelijnde luiken, vale vensters en kooi-diepe kelders overgrauwden zich met de beangstigende sfeer der buurt-misdadigheid. Alles op deze sombere wallen met hun kronkelende geulen en hol-ope-ningen, werd hier schuilhoek voor zwerfboeven, inbrekers, dieven en straatroovers. Het bedekte en verborgen leven der lichtschuwe souteneurs en het wreed-lokkende spel der afgerichte meiden, sloop hier in de grachtdonkerte saam tot één doel. Telkens dook een alleene vrouw op, achter een zoekenden en dolenden kerel, en op een afstand, omzichtig loerend en spiedend naar agenten op komst, sloop meé de pooier, in spanning luisterend naar fluit- of roep-sein van de lokster. Ratten sprongen schichtig uit kuildiepe kelders het stille, donkere water in, plompten en ritselden een onheimelijk, zacht gerucht, dat dadelijk verzonk in den nacht. Over héél de grachtbocht, waar de onderhuizen tot aan den laagsten raampost bijna het watervlak raakten, naar de Spooksteeg toe, schimde een melaatsch floers, dat de zwarte gaten van oliepakhuizen, puien en ruiten als een walmend waas beduisterde. Het rottende straatstof van dwarsbruggen en het vuile water, legden een vreeselijk masker van sombere misdadigheid over de huizenmoms. Heel de lichtende en gek-gillende roes en het beestachtig vermaak-rumoer van den voorkant der woningen, leek in het nachtzwart weer stervend uitgebraakt naar de achterzij der huizen en plots huiveringwekkend gegrepen door het moordgrauw van de doodsombere en eenzame sluipbuurt der souteneurs. Van de afschuwelijke en heische Zeedijkroerigheid afgescheurd, leek de Kuipersgracht met haar duisternis, haar zachte waterrillingen en stille ratten-plompingen, een droomrig bouwsel, uit den spokenden !mist van oude, oude tijden telkens ópdoemend en opnieuw weer verzinkend.
Mooie Karei rilde toen hij bij een der duistere steegholten een meid zacht hoorde fluiten naar haar kerel, het aanval-sein. Het was niet van vrees, maar van nare eenzaamheid en verlangen dat hij huiverde. Hij kende den