302
brandende kleuren en de klanken-razernij der alle andere geluiden overkermende harmonica's. Dwaas-dronken matrozen zongen schor door de groezele hurrie van den beregenden Zeedijk, en vingen op de geteisterde en wellustig verwrongen of uitgelodderde bakkessen, de sinistere, roodgouden schampglansen der kroeglampen.
Onder de neertrappende ellende van hun vreeselijken roes, zwabberden ze voort in dierlijke besefloosheid van alles. Telkens schoten achter uitéén-gerukte gordijntjes vunzige taveern-lokaaltjes open, het geraas van de inwendige woeling naar de keien opstuwend. Over kleine stoeltjes hingen schots en scheef lallende varensgezellen te vuilbekken naar alle indansende en wegzwenkende meiden.
Een stoet verbeestelijkt-ruwe vrouwen zwierde over het grillig belicht Kolkbrugje, tusschen vier dragonders in, met een daverend geweld, alsof alles instortte boven het duistere watertje. Ze dansten en zwaaiden op de maat van een harmonica- of fluitmarsch uit een matrozenkroeg aanstampend, trapten tegen kletterende sleepsabels en rijlaarzen der militairen. In kranke en dronken hartstochtelijkheid grepen zij de kerels beet, onder liederlijke omhelzingen. Al gemeener taal braakten de sletten uit en al verhitter strompelden zij vóór de wankelende soldaten-voeten. In een waanzieke verzinnelijking der erotische opgewondenheid, wondden ze zich aan de rinkelende sporen der dragonders, onder het bedrijven van schaamteloos-ontuchtige handelingen.
Hun van zwart zweet doorvorende gezichten keken in een wulpschen zwijmel naar de lange slungels óp en de oogen draaiden in het wit als van epileptici éven vóór een zenuwtoeval. Twee, in roode en blauwe japonnen aanfuriënde meiden begonnen op de Kolkgracht een buikdans.
De dragonders stonden op het smalle, donkere grachtje als zwarte, levende schaduw-gedrochten om de vrouwen heen te zwaaien, telkens in en uit het beverige geelroode schijnsel van een half-uitgegane en overregende gaslan