3oo
Vader Tram wist dat Piet zijn meid tot de laatste minuut afbeulde en dat hij iedere cent gretig van haar weg-roofde. Piet heette de gemeenste leeglooper van den Zeedijk en in zijn lusteloos-vadsig gezicht pafte de vetgemestheid die geen vermoeiing kende. Al wat zijn meid verdiende verdween aan maaltijd en zoop door zijn gulzig keelgat, en zijn paars-opgeblazen kop loerde altijd naar méér. Hij aasde op het heet-ingebrachte geld van zijn niesse als een gier op rottend vleesch. En toch wantrouwde hij de slet. Kwam hij er achter dat zij, in het geheim, van haar eigen verdiend zondeloon ergens iets had gedronken, dan sloeg hij haar rauw. Ook nü weer had de bleeke vrouw hem alles afgedragen en daarop schold ze giftig naar den gierigen boef:
—> Nakende neett
— Stoot d'r 'n half brood in d'r snavel!... hitste Guus op.
— Malle ui!... bleef de vrouw aanhouden,... ik heb dorst.
— Na tweeë, mit 'n overschotje fan twee plakkies,... bromde Piet.
En tartend slurpte hij zijn snor vol bierschuim. Toen vloekte de del ruw en rende weg.
Karei was woedend op den pooier die zijn dorstige meid een slok weigerde. Nou zou hij zijn eigen potje maar be-nosselen. Jezus, hoe graag had hij Piet's baardje als uitgepluisd touw ereis eventjes losgemorreld!
—. Wa 'n pesthol!... gromde Karei en stapte de straat op.
Ze moesten zoo een pooier een speentje met scherpe kralen door zijn neus heenboren. Dat zoop en at zich de pens vol van haar geld, en weigerde een slok bier. He, zoo een addervent kon hij met wellust een cachot-duisteren kelder van het Kolkje intrappen, naar den zwarten wal, al s kwam hij nooit weer boven. Die liet den gouden regen
Plak: vierduitstuk. — Benossclen: betalen.— Speentje: geschubd beursje. — Gouden regen: geld.