agg
de voeten tegen den grond en knikte dol vroolijk naar! Vader Tram achter zijn klein bulletje, nu ze het met geheimzinnige handbewegingen hadden over het opge-dregde lijk van den ouden kameraad De Dool.
Karei Burk luisterde met wrevel naar hun hondschen spot en net wou hij er een woord tusschen gooien, toen er een wasbleeke, mooie, jonge vrouw, een rooden omslagdoek als een kap over het hoofd gespannen, intrad en naar Piet Bordewijk toeliep. Verdekt duwde ze hem wat in de hand.
— Is dat alles?... snauwde Piet grimmig, terwijl hij snel het geld in zijn vestzak wegstopte.
—׳ Kledder d'r onder de drab!... bi je 'r pooter!... raadde Guus.
— Nou, wat sta je nou? ... viel giftig Piet naar zijn meid uit, die hem het pas-gewonnen geld kwam afdragen.
— Je krijg nog 'n cent fan d'r,... mag se morrege veur komme singe!... spotte Stille Jan.
— 'n Potje bier,... smeekte de vrouw.
— Vader Tram!___schreeuwde Piet naar het buffet,. . .
As je nie gauw de sokke set... krijg je 'n pot op je wang!
De bleeke meid vloekte en knoopte den oranjen doek van haar hoofd.
—׳ Fideele jonge!
— Vader Tram!... schreeuwde Piet naar het buffet,... geen druppel op de lat!... dat kreng!... se heb d'r taks nog nie!
— D'r staat nog veur jut-bas.
Piet schrok en stootte schor de stem los.
—•Een heitje!
— Geen heibel!... vie! streng Vader Tram uit,... ik ség jut-bas... dan is 't jut-bas... Verstaan?
Vader Tram was geen makke. Dat wisten al de souteneurs van den Zeedijk. Zijn stem donderde door het somber-donkere kroegje en de pooier zweeg en keek als een afgestrafte, nijdig de kaarten van Manke Willem in.
Pooter: kwijt. — Jut-bas: tien stuiver. — Heitje: kwartje.