agS
"" — Ik knok je lampies toe!... wrang-wreed giftigde er De Dool uit.
— Jij? ... jij? ... hoonde Willem,... ik was op de foorhand ... Nou heb hij strop... ik roem.
— En sfjn stuk roem mit 'n derde dan?... gebakke aap! ... sloeg nu De Dool er, hevig met de knuisten bonkerend, doorheen.
Willem, zijn stommiteit traag beseffende, hield toch vol, maar nu begonnen ook de pooiers mee te strijden en hun meeningen in het spel te mengen.
— Nie soo krijsche!... schreeuwde Vader Tram naar de kaarters.
— Hè, Vader Tram!... riep Suiker jas terug,... we krijge nog eentje fan 't eerste kruissie!
De doorvorende en hebzuchtige kop van Bentering lachte en Guus Sand, uit zijn donker hoekje, ingedoken achter de kaarten van Suiker jas, beloerde het gele, uitgevreten gezicht van De Dool.
— Je broer... heb mit de duufel gehuisd!... viel hij onverwachts somber uit naar Hendrik.
Weer was een rondje afgelegd. Manke Willem stootte zijn versch glas bier in de hoogte en spotte valsch naar zijn bevitter:
— Op de gesondheid fan de broer fan 't lijk!
Hendrik de Dool's smal-geel gezicht duisterde óp uit den hoek. Al de kerels hieven de glazen en klonken toe.
— Op de gesondheid fan de dooje, die nou veur koef-noen in de hemel knijst!... bedronk Piet.
— Mit al s'n gejatte koetseséfies-blinkers,... lachte scherp de Suikerjas. ,
— De swarte koeler het 'm geknipt! ׳ - - . ^ :
— Nou mag ie bij de groote Snees 'n bak sweet drinke!
Het stel kwartjesvinders en pooiers schaterde, stompte
Voor koefnoen: voor niks, niemendal. — Koetseséfies-blinkers: ju-weelen. — Zwarte kooler: de dood. — De groote Snees: God. — Sweet: koffie.