297
Hendrik's geelmagere en vaalbeenderige kop stond kwaadaardig strak en de donkere oogen gluurden onrustig en giftig naar de duistere kroeghoeken.
— Doch jij dan... dè hij ruite aas afgooit?... vroeg heesch Manke Willem.
— Kedin, zwir linkies,... snauwde De Dool kort en bevelend.
— Sè je gewaar worde!... gromde de Manke terug, terwijl zijn half-rood beschaduwd gelaat achter zijn kaarten wegdook.
— Seg Vader Tram, hei je 'n wipper ope?
Piet Bordewijk voelde tocht in zijn nek blazen, keek angstig rond.
Weer klonk plots de waarschuwende, dreigende stem van Hendrik de Dool naar Willem.
— Jij dolmgooser!... frommesdod!
— W .. .at? ... aarzelde Willem, zijn spel-stomheden nog zelf niet overziend.
—i Pekaan binne we,... dreigde weer wilddriftig Hendrik, terwijl zijn oogen afschuwelijk nijdig staken naar den Manke.
— Stuk soeterik!... schold Guus Sand boertig mee.
Willem verdedigde zijn slagen, maar hartstochtelijk
minachtend viel De Dool uit:
— Jij heb geen ferstajem!
— Soo ... hoonde zwak Willem terug.
— Jij bin 'n manejum vazelaar en.. 'n maxejum nikskenneri
— Geen kwestie fan... 'k was op de foorhand!
— Hou je holte!
— Feur wie?
— Feur mijn!
— Atjoe!... nieste minachtend de Manke, Hendrik in
het gezicht.
Zwir linkies: kijk uit. — Wipper: raam. — Dolmgooser: versufte kerel. — Frommesdod: vrouwenlieveling. — Vazelaar: valschspeler.