2g6
andrijfe?... vroeg hij aan Hendrik de Dool, zijn medespeler.
— Soo swart... soo swart!... schreeuwde deze, terwijl hij een roem van vier heeren schel aankondigde,... as roet hèl
Snel roffelden de andere spelers de kaarten bij en het rondje ten einde.
— Soo'n knurf de vent ook fan die Rooie ״stille" had te ferdure,... bracht verdrietig Frits Weerels er tus-schen in.
— 'n Saffiaantje? ... bood gracelijk Jan Benlering het speelkwartet aan.
— Wat swel jij!
— Ikke? ... Dè segaartje kos nou vijf en twintig cent,... de tien; hei je nog geen fijn snuffelhoutje veur!
— Nou, jij bin d'r de oudste heijtjes-bejeitser! ... lachte Manke Willem naar Frits.
— De hoogeschool deurgetrapt,... knikte die gul.
— Jij mot mit de meelik-peesers je veertig-jarig jube-léum fiere... onder 't gajes!... schaterde Hendrik de Dool.
— Hep ie se eige fersoope?... vroeg Manke Willem weer naar Hendrik.
— Om fan de gezeire af te komme!... hoonde Piet Bordewijk.
— Hij is d'r opgedrecht,... begon weer met een vreemde huivering op het platte gezicht, Hendrik de Dool,... nee, soo'n swart lijk heb ik nooit nie gesien!
— En se spinnekop sat nog op se das!... wist Guus Sand te vertellen.
Er werd weer gespeeld, stil, wrokkig, onder doffe knuist-bonken.
— Wat nou?... schoot plots woest Hendrik de Dool naar Manke Willem,... kom je nou ... mit schoppe?
Knurf: klap; mep. — Wat zwel jij: wat zet je je krop op. — Heijtjes-bejeitser: kwartjes-vinder. — Meelik-peeser: zakkenroller. — Gezeire: ellende. — Spinnekop: dasspeld.