295
gekrenkt om zijn weigering en jachtiger stapte ze het donkere muziek-gedreun in.
Het bleef sieperend regenen. Even stapte Karei de kroeg van Vader Tram binnen. Een groep schamele kwartjesvinders zat in een duisteren hoek te kaarten, terwijl hun ongeduldige beenen telkens krassend over den zandgrond schuurden. Achter de vier klaverjassers beloerden drie souteneurs het spel mee, in den rug beschenen door een roode lamplantaarn. Jan Bentering, gewezen kastenmaker, Guus Sans, beroeps-oplichter en Piet Bordewijk, een schoeneflik, waren de drie gezworen pooiers-kameraden van het kleine en stiekeme Zeedijk-kwartier. Hun meiden joegen op los zwerfvolk der stegen dat slechts over koperrood beschikte. De kerels gingen als het even kon altijd samen naar het huis van bewaring. Ze waren alle drie even sluw, geslepen, en koelbloedige genotszwelgers. Linke ״ pernosies deden ze in een trits,... en hun ponems begonnen zelfs op elkaar te lijken, beweerde Vader Tram gemoedelijk. Als echte souteneurs-typen bewogen zij zich doodelijk traag en vadsig; de zwaarberingde handen op het vergulde buikje en protserig over twee vestzakken verdeeld, de glimmende fokse oksenaar met gouden slang. Want dat werd de wellust ook der kleine souteneurs: te luieren, te rooken, den ganschen dag te drinken en te dobbelen, en 's avonds in de puntjes gekloft en gekapt over de vlakte te tippelen.
De drie gezworen kameraden bespiegelden elkaar, opgepoetst en altijd op zijn Zondagsch gekleed als ze waren. Gouden ringen en juweelen, het was hun lust en hun leven ze te dragen en er mee te pronken.
Manke Willem, met doffen knuist een aas bij-smakkend, bromde dat hij toch van het nieuws van Jan de Dool leelijk had opgekeken.
— Is t'r na acht dage 't lijk fan je broer pas komrne
Koperrood: centen (kopergeld). — Linke pernosies: slimme winsthandeltjes. — Ponems: gezichten. — Fokse oksenaar: horloge. — Slang: ketting.