a94
as dat het groote ... orgelstuk... mit ses en sestig pijpe ... de somma fan sooveul as om en de bij... ses rooie ruggetjes heit gekos... en dat 't se eige nie-en-kon bedruipe!...
Nauwelijks had hij met zware stem zijn verhaal gedaan, of hij draaide snel zijn bekken o!m en begon een lichten roffel af te tikkeren op het tinbord. Toen plotseling maakte hij bekend:
— Dat de faste kelianteele... geen genoege sal we'ce te neme mit de prijsferhooging fan ééne cent pir glas... en dat hij sich lieferst door alle plage besocht sag... as... as toe te geefe an de smerige hebsucht fan de Foordrachts-
gelegenheid... J---- H____ Harms... junèor... en dat
deze hoogst-desselfers eigenaar... een veul leelijker uit-hangteeke was ... as ... de heiboenders ... fan de kuk-kerensie!
Omroepers stem galmde over het stillere Zeedijkgedeelte als een preek, gehoord door een gebroken kerkruit.
Zonder eenige minachtende ironiseering van het tegenstrijdige geval bleven zijn woorden galmen vóór den eigenaar Harms van de Amsterdamsche Vlag en vóór de vaste klanten.
Mooie Karei lachte om het grappige van het geval, dat één-en-dezelfde kerel, vlak achter elkaar, twee heeren diende voor de duiten. Toch vond Karei het op dit stillere deel van den Zeedijk nooit gezellig. Het zeurde en zanikte zoo zenuwachtig in hem, dat hij nou eens eindelijk Corry moest spreken. Of er nevel of damp hing, hij zou toetasten. ־ — Alles is kits, kachel in bed,... bromde hij naar AnneBet, een felle Jordaansche dansmeid met een hartstochtelijk, grof mannengezicht, die juist voor hem uit schoof.
— Stap in, we gaan toch trouwe!... draaide ze zich lachend naar Karei om, hem den arm biedend.
— Kè nie meid,... weerde Karei af,... bij jou sul ik fan de haak!
— Ga wég voddesak,... lachte ze weer terug, toch even
Rooie rug: bankje van duizend gulden.