293
voor den tweeden keer weer zou gestooten hebben als hier, Karei Burk, niet naar voren gesprongen was en het mes hem had ontwrongen. Ze lachte even flauw door haar hevige pijn heen en ze bekeek schuw met haar lichte, lief-droeve oogen haar beschermer. Karei zweeg, drong er met geen letter op aan dat ze Leendert zou laten vervolgen. Hij voelde alweer de grootheid van deze ongelukkige vrouw, als iets wonderlijk-edels, dat hem altijd diep ontroerde en stil maakte. De niét-begrijpende omstanders drongen weer aan, maar ze huiverde, sloot de oogen en viel bewusteloos. Snel werd ze naar het gasthuis getransporteerd.
— Zoo'n beul nog spare!... viel nijdig de commissaris uit naar Karei... Zal niet gebeure!... Hiér vervolgt de wet... en raak ook!
Alleen Burk zweeg en begreep. Zelfs van zulk een schepsel zou Corry geen gemeenheid kunnen leeren, mijmerde Mooie Karei.
II.
Eenige uren later keerde Mooie Karei weer naar den Zeedijk terug, om Corry te zien. Het regende zacht. Het roode en gele danskroegen-licht flakkerde weerschijngloed over de kokernauwe straat met haar wrakke, hellende geveltjes en uit alle verdiepingen ander licht afglanzende ruiten. Naar den kant van de Waag, waar een stille donkerheid grauwde, bij een zwartgapende zijsteeg, schreeuwde een omroeper. Met drie plechtige slagen op een oud orgelbekken maakte hij bekend:... dat — de voordrachtsgelegenheid fan J. H. Harms... junèor!... de plaaser... fan de Amsterdamsche flag!... fanwege de onedele kukkerensie fan de gemeene heiboenders fan kelé-gaas!... as... Kroes!... er toe sal sijnde genood... saakt... de fenijnige spin... te speule... en de comsol-masie pir glas... mit één cent wordt ferhoogd!... En dat de faste kelianteele ... nie krenterig sijnde mag wese...