2go
— Je wil van me af?... doerak!... slet!... en hij trapte haar op de dijen.
— Nee!... nee!... leuge!... kermde Willie.
— Nog één woord... en ik hak je deurmidde!
Weer drongen de beangste meiden op Leendert aan
en poogden het groote mes zijn knuisten te ontwringen. Maar Leendert trapte, spoog en raasde, geholpen door zijn gavvers. Toen, geheel los, sprong hij snel op Willie toe en stootte haar het scherp de weeke buik in.
— Daar slet!... raak hè?!... huilde hij van wrok, grijnzend en kwijlend, het bebloede lemmet dwars in de kramphand gekneld.
Willie kronkelde inéén en snel golfde het bloed uit een wond haar kleeren door. Toén kon Karei, bij de deur, zich niet meer houden. Hij had Jan de Duiker gezien en vier Jordaansche lefjongens, en ze met een enkelen wenk verzocht Rooie Dirk en Arie Bitter in het oog te houden. Leendert, die opnieuw wou toesteken terwijl de meiden gillend achteruit stoven, voelde zich plotseling in den greepklauw van Karei, die met een rukkend-woesten polsdraai hem het mes uit de hand wrong.
— Vuile, gemeene schooier van 'n kerel!... donderde hij, terwijl hij lijkbleek den dollen steker in de valsche lichte oogen staarde.
Karei had het mes een der vrouwen afgegeven en wachtte op den uitval van Leendert. Maar die, van streek gebracht door zijn eigen dollen aanval op Willie, en het onverhoede bijspringen van Karei Burk, keek alsof hij zélf gemold werd. Hij bibberde en stotterde, en de krankzinnige toorn stilde in zijn grijze oogen. Zijn gek-sarrende mondgrijns verdween en een huivering rilde over zijn bleekende wangen. Toen Mooie Karei zag dat de lafaard wou wijken, sloeg hij hem boffend op de borst naar de deur.
— Nou eérs met mijn, giftige kat!,., hoonde Karei. Rooie Dirk en Arie Bitter zagen zich beloerd door den Jordaanschen knokploeg die Karei als voorvechter eerde.