287
zijn bivak houden, al beloerde hij de handen van Arie Bitter en Adriaan Blommetje of ze ook... het nijf trokken.
Karei zag juist dat Leendert Blonde Willie de Kapelsteeg insleurde en in een verschrikkelijken zwaai, haar met het hoofd tegen den muur van een klapper neer-bonkte, zóó fel, dat ze gillend voorover sloeg en even stom liggen bleef. Een bloedstroom gulpte door het haar, over de schouders en op de keien. Rooie Dirk schaterde:
— Natte sok!... en hij gierde naar de gevallen meid.
— Sieke knorbig!... schold Simon Kauwbetel mee. Het kookte in Karei Burk en toch zou hij niet bijspringen, omdat hij Willie's aard kende. Als ze zag dat hij haar kerel in zijn velletje nam, zou ze hem, uit dank, de vingertoppen afbijten.
Drie dronken matrozen uit de kroeg van Smit wegge-zwaaid, struikelden heesch-zingend dwars door de kijkers.
— Zangvereeniging 't schorre kikkertje,... lachte Karei om zich af te leiden.
O, als de laffe pooier het eens waagde een vrije meid te naderen, hij zou hem den strot voor een bang kwartiertje dichtknellen, al stond een dubbele wacht van boeven om hem heen. Karei had óók zijn avondmakkers, jovele Jordaan-jongens; Barend de Duiker uit de Looijerstraat, een beste, immese kerel, sterk als een stier; Jan het Slangen-mensch, een bokser van de hoogeschool; dan, een paar geweldige dokwerker^, !gehaaide kolendragers en Jaap de Verrekijker, die al drie jaar voor vechten achter den rug had,... een stel Jordaansche jongens, die even hevig de pooiers haatten en gretig op ze los sloegen als hij.
De gemeene boeven popelden van pret dat Leendert zijn meid zoo immes afdroogde en haar een rookhoutje tusschen de kaken klemde waar ze lang op kauwen mocht.
Al de sletten keken angstig toe, wel wetend dat de
Nijf: mes. — Gehaaide: pootige, ijzersterfee.