289
jaloezie altijd geheimzinnige afsmoes-seinen naar een ander in zag.
En zoo was Blonde Willie nu terug gekeerd met te weinig geld en toch veel te lang weggebleven. Dan zat er altijd ״liefde" achter, beweerde Leendert en hij sloeg haar met de beringde knuisten op de bloedende lippen. ' — Smerige dakhaas!... slet!... schold hij, terwijl zijn kop steenrood kleurde van drift.
— Knoedelhert!... laffe keeshond!... stootte Willie giftig uit, van avond den ransel niet alleen als liefde beschouwend.
— Je klepper dicht, Suikerbetien!.., krijschte hij grijnzend, met zijn lange beenen haar een trap gevend dat ze voorover op de keien sloeg.
Midden in den saamdringenden vechtstoet dook Rooie Dirk naast zijn gavver Leendert óp, terwijl Adriaan Blommetje en Arie Bitter meescholden naar de meid, uit puren kijfwellust. De katgrijze oogen van Leendert lichtten van venijn en bij de polsen sleurde hij Willie van de straat op. Hij voelde vlak om en naast zich den beschermenden en dekkenden steun van al zijn vrienden uit spiezen, klapper of val. Hij stond omkringd van zijn wacht, het beruchte stel jatters, vechtpooiers en dieven van den Zeedijk en vooral Manke Willem, die pas huiszoeking wegens moord-verdenking had doorstaan, keek alsof hij de heele wereld wel in brand wou steken.
Karei Burk werd meegedrongen in den kijkerskring. Hij had onmiddellijk boven de herrie uit, de rauwschorre drankstem van Leendert herkend. Toch moest hij juist heel voorzichtig zijn, want altijd, tusschen zulke vechtpartijen op den donkeren avond ingekneld, liep Karei knauwen en stampen op, zonder dat hij kon zien van waar en van wien. De tronie van den Slachter, Rooie Dirk, zag hij zijn kant uitloenschen, valsch, alsof die vreesde dat Karei bij zou springen. Een misslag... Karei bleef
Gavver: intieme vriend. — Spies, klapper, val: kroegbordeelen.